Geen geintjes met onze boterham

Door Grete Remen op 26 december 2016, over deze onderwerpen: Ondernemen

Voor voedselzekerheid en voedselveiligheid in Vlaanderen moeten we zorgen voor een sterke Vlaamse landbouwsector.  De maakindustrie van Vlaamse bodem vervult primaire levensbehoeften waarvoor we niet afhankelijk mogen worden van het buitenland en van multinationals.

Het voortbestaan van familiebedrijven in de land- en tuinbouw raakt ieder van ons.  In functie van onze voedselzekerheid op Vlaamse bodem moeten we de familiale landbouwbedrijven willen behouden.  Dit is de eigen maakindustrie pur sang, die vandaag en vroeger in Vlaanderen welvaart heeft gebracht.

Uit recente cijfers van de FOD Economie blijkt dat het aantal Vlaamse landbouwbedrijven en het aantal effectieve arbeidskrachten in de sector sinds de Generatie Y met bijna 70% zijn afgenomen.  Gedurende dezelfde periode is de Vlaamse bevolking daarentegen met een miljoen inwoners toegenomen en zal dit volgens de vooruitzichten van de FOD Economie tegen 2060 opnieuw gebeuren.

Het aandeel van onze landbouw in de Belgische economie neemt gestaag verder af. In 2015 produceerde de sector slechts 0,7% van het BBP.  Zonder degelijke agrarische sector kunnen er tekorten aan voedselproducten ontstaan en worden prijzen voor de consument hoog opgedreven.  Dit risico wordt structureel onderschat.  Vlaanderen moet in zijn eigen voedsel kunnen voorzien dat op een veilige manier wordt geproduceerd.  Voedselzekerheid is naast energiezekerheid één van de grootste strategische uitdagingen van deze eeuw.

Sinds 2000 stegen de voedselprijzen voor de consument met 28%, terwijl de afzetprijs van de landbouw slechts met 19% toenam.  Landbouwers verdienen niet langer hun boterham waardoor  een belangrijke schakel in onze economie en samenleving hard wordt geraakt en onvoldoende perspectief heeft. De voorbije tien jaar is er een verslechtering van de financiële situatie van de landbouwbedrijven merkbaar.  Dit komt ook tot uiting in het ellendige investeringsgedrag en het aantal falingen dat vorig jaar met 30% is gestegen.

Het aantal niet-familiale werkkrachten in de landbouwbedrijven bedroeg in 1980 3,9%.  Vandaag bedraagt dit meer dan 20%.  Hoewel de landbouw haar veerkracht en flexibiliteit al meermaals heeft bewezen, zal zij in de toekomst heel wat beproevingen moeten doorstaan.  Denken we maar aan de veranderende klimaatontwikkelingen die oogstonzekerheid en oogstmislukkingen, prijsvolatiliteit en grote inkomensonzekerheid met zich meebrengen.  Het familiaal karakter van onze Vlaamse landbouwbedrijven ligt onder vuur en hun innovatieve kracht wordt afgestompt.

We moeten ook de totale toegevoegde waarde van de landbouw en lokale, kleinere voedingsproducenten herbekijken. Niet alleen door een louter economische bril, gedreven door kwantitatieve drijfveren en subsidies . Het familiale karakter, focus op een uitgesproken niche, attitude van een ambachtsman en inzet op bedrijfscontinuïteit vormen meer essentiële troeven. Ondernemerskapitalisme moet opnieuw zegevieren.

Eerlijkheid moet voortaan de regel zijn. Vrijwillige, goedbedoelde initiatieven zoals het ‘Supply Chain Initiative’(de vrijwillige gedragscode tussen retail - producent - landbouwer) kunnen waardevol zijn in de uitwisseling van good practices om met eerlijke handelspraktijken om te gaan. Maar we moeten er ons van bewust zijn dat ze beperkt zijn in de bescherming die ze bieden tegen machtsmisbruik.

Vanwege het grote belang van de agrarische sector voor Vlaanderen is het dan ook noodzakelijk dat boer en tuinder een eerlijke boterham kunnen verdienen en moeten blijven voortbestaan.  Dit vraagt om specifiek en doelgericht beleid ten aanzien van de agrarische sector, die vooral uit familiebedrijven bestaat.  Van oudsher was de opvolging door zoon of dochter in deze sector vanzelfsprekend.  Het wordt echter steeds moeilijker om deze ondernemerstraditie voort te zetten, omdat de volgende generatie geen toekomst ziet in het familiebedrijf door zorgen over inkomen, maatschappelijk draagvlak en rechtszeker overheidsbeleid.

Om nu en in de toekomst alle monden te kunnen voeden is het noodzakelijk om actie te ondernemen.

Ook de consument heeft recht op een eerlijk verhaal. Hij heeft het recht te weten waar en hoe zijn eten wordt geproduceerd, de huidige voedingsketen gaat letterlijk gebukt onder belastende productiemethoden, lange ketens en afstanden, en vooral onder het gebrek aan transparantie. We moeten ons veel meer zelf kunnen voorzien in voedsel, dicht bij ons geproduceerd zonder de immense kosten van transport, milieu en gezondheid.

Laat ons daarom werk maken van ondernemingsvriendelijke maatregelen zodat de bedrijven die onze magen spijzen, en bij uitbreiding al onze Vlaamse familiebedrijven, niet langer op hun honger blijven zitten.

Vandaag draagt de landbouw alle risico’s verbonden met het klimaat en met de internationale prijsschommelingen.  Zij gaat vaak gebukt onder wurgcontracten van haar uit de kluiten gewassen klanten en leveranciers, terwijl haar marge de kleinste is doorheen de voedselketen. 

Er is nood aan maatregelen die waarborgen dat risico’s gelijk verdeeld worden, die de vrees wegnemen om klacht neer te leggen, die markttransparantie in iedere schakel van de (voedsel)keten vooropstelt. Het Brits voorbeeld van arbitrage, dat sancties kan opleggen, kan als goed voorbeeld opgevoerd worden. Want in een land van vrijwillige beloften sterft men wel van de honger. Zo ver mogen we het niet laten komen.

 

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is